Fossielen

Als een dier (of plant) doodgaat, wordt het meestal vrij snel opgegeten.  In sommige gevallen gebeurt dat door aaseters, vaak door bacteriën (rotting). De zachte delen verdwijnen het eerst, maar uiteindelijk kan ook het skelet verdwijnen, of dat nu botten zijn of schelpen.  Onder bijzondere omstandigheden kunnen de resten van dode dieren bewaard blijven, bijvoorbeeld doordat ze snel begraven worden.   De kans dat er iets bewaard blijft (gepreserveerd wordt) neemt toe als het dier leeft in een omgeving waar dingen snel begraven worden en als het dier harde delen heeft die niet snel vergaan.  Daarom vinden we meer resten van schelpen dan van vogels.  Fossielen zijn overblijfselen van dode dieren of planten die opgegraven zijn (van het Latijnse fossilis, opgegraven).

Een goed gepreserveerde fossiele vis uit Wyoming (SvH)

Een goed gepreserveerde fossiele vis uit Wyoming (SvH)

Het leven op aarde heeft er niet altijd zo uitgezien als nu. Er zijn heel veel soorten die vroeger geleefd hebben maar die nu uitgestorven zijn, zoals dinosauriërs en mammoeten. Dat weten we door de fossielen die opgegraven zijn.  Daardoor weten we ook dat in de loop van de geschiedenis van de aarde het leven zich ontwikkeld heeft van primitieve eencellige organismen naar grote complexe vormen, en dat er voortdurend nieuwe soorten ontstaan zijn en andere uitgestorven zijn.

Stromatolieten bij Perth (foto SvH)

Stromatolieten bij Perth (foto SvH)

De oudste fossielen die algemeen voorkomen zijn van stromatolieten, die al meer dan 3 miljard jaar geleden voorkwamen maar ook nu nog leven – bijvoorbeeld in Australië, in Shark Bay en in de omgeving van Perth.  Dit zijn opeenstapelingen van matten van cyanobacteriën die sediment hebben ingevangen. Verder zijn er van de oudste periode voornamelijk microfossielen bekend van eencellige organismen.

Toch zijn in die periode meercellige dieren ontstaan, maar ze hadden geen harde delen en werden daarom niet bewaard.  Het oudst bekende complexe leven op aarde is de fauna (gemeenschap van dieren) die bij Ediacara in Australië gevonden is, bekend als de Ediacara fauna of biota  (zie voor details bv. https://nl.wikipedia.org/wiki/Ediacarische_biota).  Deze dieren hadden ook geen harde delen maar door bijzondere omstandigheden zijn afdrukken bewaard gebleven van veel verschillende soorten van een paar centimeters tot zelfs wel een meter lang. Inmiddels zijn er wel 40 vindplaatsen bekend, in afzettingen die tussen de 600 en 542 miljoen jaar oud zijn.  Daarna ontstonden (uitwendige) skeletten en fossielen uit die latere periode (het Paleozoïcum) zijn veel algemener en komen overal op de wereld voor.

Een pootafdruk van een hagedis, uit de kalksteen groeve bij Winterswijk (SvH)

Een pootafdruk van een hagedis, uit de kalksteen groeve bij Winterswijk (SvH)

Fossielen zijn er in vele soorten en maten.  Sommige zijn vrij algemeen en makkelijk te vinden als je weet waar je moet zoeken. Zo zie je vaak fossiele koralen en resten van zeelelies terug in stoepranden en vensterbanken die gemaakt zijn van donkergrijze Belgische kalksteen, en op sommige stranden kun je met een beetje geluk fossiele haaientanden vinden.  Ook losse botten of kiezen van mammoeten worden regelmatig gevonden, maar een heel skelet van een mammoet of dinosaurus is een grote zeldzaamheid.  Microfossielen zijn soms zo algemeen dat gesteenten helemaal uit fossielen kunnen bestaan (zoals de witte krijtrotsen in Engeland).  Die zijn dus makkelijk te verzamelen, maar je hebt wel een microscoop nodig om ze te bekijken.

Hoe weet je nu waar je fossielen kunt vinden? En als je iets gevonden hebt, hoe weet je dan wat het is?  Je kunt veel op internet vinden (bv. http://www.fossiel.net), maar goede vindplaatsen worden vaak zorgvuldig geheim gehouden.  Het meeste leer je daarom door lid te worden van een geologische vereniging, en op verenigingsavonden te praten met ervaren verzamelaars.

Zelfs van het bestuderen van fossielen kun je je beroep maken. Iemand die fossielen bestudeert heet een paleontoloog. Niet alleen zijn er paleontologen in dienst van museums, maar ook in de industrie.  Fossielen (en dan vooral fossiel stuifmeel en microfossielen) zijn namelijk heel nuttig om aardlagen in de ondergrond te herkennen, de ouderdom ervan te bepalen en te bepalen in wat voor omgeving de sedimenten zijn afgezet. In Nederland kun je in Utrecht en Amsterdam nog paleontologie studeren.

agenda